Nieuws en actualiteiten

button programma

 

 

 

 

 

Zie voor gestelde vragen aan het college de rubriek: Berichten en de Brabantse impact monitor   (Nieuw)

 

Ons standpunt over herindelen Lees meer


Landelijk politiek nieuws en plaatselijke actualiteiten

 

  

 

Afspraken over ‘steviger handhaven’ gedeeltelijke lockdown

De veiligheidsregio’s en het kabinet gaan vandaag afspraken maken over het ‘steviger handhaven’ van de gedeeltelijke lockdown, aldus minister Grapperhaus van Veiligheid. ‘Dan gaan we echt met zijn allen op dezelfde manier handhaven.’ De burgemeesters van het Veiligheidsberaad blikken vanavond in hun vergadering ook alvast vooruit naar de feestdagen.

Vorige week kondigde het kabinet weer strengere regels af om de coronabesmettingen terug te brengen tot een beheersbaar aantal. De gedeeltelijke lockdown geldt in eerste instantie voor vier weken. Grapperhaus sprak vrijdagmorgen met politie, Openbaar Ministerie en de veiligheidsregio’s over de handhaving. Zijn gesprekspartners ontwerpen eerst samen een arrangement hiervoor, aldus de bewindsman.

De politie heeft volgens de minister eerder al gezegd de prioriteit te leggen bij het handhaven van het gedeeltelijke alcoholverbod, de sluiting van de horeca en de toegestane groepsgrootte op verschillende locaties. Op een overtreding van de coronaregels staat een boete van 95 euro. Die was eerder nog 390 euro plus een strafblad. De Tweede Kamer heeft deze wijzigingen afgedwongen. Boetes voor bedrijven kunnen nog in de duizenden euro’s lopen.

Verschillen in handhaving

Tijdens de eerste lockdown in het voorjaar waren er klachten over verschillen in handhaving in het land. In de ene gemeente kreeg men een boete voor overtreding van de coronaregels, terwijl in een andere mensen er met een waarschuwing van af kwamen. Daarom gaan de bestuurders van de 25 veiligheidsregio’s het hebben over twijfelgevallen bij de handhaving van de nieuwste maatregelen.

Sinds de besmettingscijfers en het aantal mensen in ziekenhuizen met corona weer oplopen, komen de 25 bestuurders opnieuw wekelijks samen in Utrecht. Zij adviseren het kabinet over de te nemen maatregelen, en zorgen voor de uitvoering.

‘De meeste maatregelen zijn helder,’ aldus een woordvoerster van het Veiligheidsberaad, ‘maar er zijn altijd puntjes waarover discussie is.’ Zo was eerder niet helemaal duidelijk of restaurants op golfbanen onder het kopje horeca vallen, of onder sportkantines.

Routekaart regionale aanpak

Vorige week werd ook een routekaart coronamaatregelen gelanceerd. ‘Als het kabinet besluit om te stoppen met landelijk geldende maatregelen dan geldt weer de regionale aanpak. De routekaart biedt hierbij perspectief,’ meldt het ministerie van Justitie en Veiligheid. In een versie voor bestuurders staat per risiconiveau beschreven welke maatregelen in een regio minimaal gelden. Plus welke strengere maatregelen lokaal of regionaal aanvullend overwogen kunnen worden.

Handreiking lokale aanpak

Om het lokaal bestuur te informeren over de veranderende verantwoordelijkheden en input te bieden voor de regionale reflectie stelden de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement de Adviesnotitie coronacrisis op. Voor de handreiking is gebruik gemaakt van uitgebreide input vanuit de veiligheidsregio’s. Het advies van de VNG aan voorzitters van de veiligheidsregio, burgemeesters en strategisch adviseurs is om de notitie regionaal te agenderen en te bespreken. 

 
 

COMMISSIE DIGITALE ZAKEN GAAT TOEZIEN OP KENNIS EN WETTEN

Er komt een vaste commissie voor Digitale Zaken, die Kamerleden van voldoende kennis over digitalisering gaat voorzien en tevens er zorg voor gaat dragen dat er passende wetten en regels voor digitalisering in Nederland komen. De Tweede Kamer heeft daar afgelopen week een motie voor aangenomen.

Grip

In 2019 werd een tijdelijke commissie Digitale Toekomst ingesteld om te onderzoeken hoe de Tweede Kamer meer grip kan krijgen op het onderwerp digitalisering. Deze commissie kwam dit voorjaar met een aantal aanbevelingen, waaronder het instellen van een vaste commissie voor digitale zaken. Deze zou er onder meer zorg voor moeten dragen dat de Kamer voldoende kennis heeft over digitalisering, maar ook dat er passende wetten en regels voor digitalisering in Nederland komen en dat die in overeenstemming is met wetgeving uit de Europese Unie.

Verkiezingen

Afgelopen week heeft de Kamer een motie aangenomen om ervoor te zorgen dat die commissie er inderdaad komt. De motie werd ingediend door CDA-Kamerlid Harry van der Molen, samen met andere Kamerleden van GroenLinks, de VVD, D66 en 50Plus. De commissie wordt na de aankomende verkiezingen in maart 2021 in de Tweede Kamer geïnstalleerd.

 

ZORGEN TOPAMBTENAREN OVER BESTUURLIJKE ONRUST RIJK-GEMEENTEN

Het staat er natuurlijk veel nettere bewoordingen, maar vrij vertaald vindt de Studiegroep Begrotingsruimte dat er te veel gekissebis is tussen rijk en gemeenten om de centen. En al dat gejengel over geld staat de oplossing van maatschappelijke problemen alleen maar in de weg.

De uit topambtenaren van het rijk bestaande Studiegroep beveelt in haar 16e rapport (Koers bepalen) het nieuwe kabinet aan om in overleg met de gemeenten – en de provincies – de manier waarop zij van het rijk hun geld ontvangen op de schop te gooien. Of in de woorden van de Studiegroep: de normeringssystematiek zodanig aan te passen dat de stabiliteit en voorspelbaarheid ervan wordt vergroot. Betere financiële verhoudingen, zo is de gedachte, zorgen ook voor betere bestuurlijke verhoudingen en minder gesteggel.

Budgettaire discussies

Voor gemeenten en provincies zijn overdrachten vanuit het rijk via het gemeente- en provinciefonds de belangrijkste inkomstenbron. Na tal van decentralisaties van taken en verantwoordelijkheden naar vooral gemeenten, zijn die financieel almaar sterker afhankelijk geworden van het rijk. ‘De afgelopen kabinetsperiode kenmerkte zich door veel budgettaire discussies tussen rijk en – vooral – gemeenten, die mede het gevolg waren van de reikwijdte van wet- en regelgeving en schommelingen in de inkomsten’, constateert de Studiegroep. ‘Deze discussies dragen niet bij aan doeltreffende oplossingen voor de opgaven waarvoor overheden ook in de komende kabinetsperiode staan.’

Tegenvallers

Om de gevolgen van de financiële afhankelijkheid van het rijk te verkleinen, is het volgens de Studiegroep ‘een optie’ om het gemeentelijk belastinggebied – en daarmee de ruimte om eigen inkomsten te verwerven – te vergroten. Maar eerst en vooral is het zaak om samen met medeoverheden op zoek te gaan naar een stabieler stelsels van bekostigen. Wat met name tot onrust leidt is de zogeheten trap-op-trap-af-systematiek. Dat gaat ongeveer als volgt: als het rijk meer uitgeeft dan begroot, dan zien gemeenten dat vertaald in een hogere algemene uitkering (accres). Omgekeerd geldt hetzelfde wanneer het rijk juist minder uitgeeft dan begroot. Beleidsintensiveringen, ombuigingen, mee- en tegenvallers en nominale ontwikkelingen op de rijksbegroting hebben zodoende direct invloed op de omvang van het gemeentefonds en dus de op budgetten van gemeenten.

Voorspelbaarheid

Dat leidt volgens de Studiegroep ‘tot bestuurlijke onrust’, zowel bij gemeenten als in de Tweede Kamer, omdat de ministers die het betreft daarop worden aangesproken. ‘Dit komt de interbestuurlijke samenwerking niet ten goede. Voor zowel rijk als medeoverheden is een stabielere ontwikkeling van het accres van belang.’ Het nieuwe kabinet wordt aanbevolen om in samenspraak met de medeoverheden de systematiek zodanig aan te passen dat de stabiliteit en voorspelbaarheid van de systematiek wordt vergroot.

 

BURGERINITIATIEVEN VERDWALEN IN GEMEENTELIJK DOOLHOF

Het barst in Rotterdam van de burgerinitiatieven. Burgers weten de gemeente goed te vinden met hun plannen. Als het op uitvoering aankomt, stuiten ze daarbij echter nogal eens op stroperigheid in het stadhuis. Initiatiefnemers worden, zeker bij complexere initiatieven, van het kastje naar de muur gestuurd.

Cruciaal

Dat blijkt uit donderdag gepubliceerde onderzoeken van de rekenkamer Rotterdam en de Rotterdamse ombudsman. Uit beide onderzoeken blijkt dat de hulp van de gemeente vaak cruciaal is voor het realiseren van een burgerinitiatief. De ombudsman en de rekenkamer adviseren de gemeente om een initiatiefnemer te koppelen aan één aanspreekpunt binnen de gemeente. Als het initiatief inzet vergt van verschillende gemeentelijke afdelingen, moet er een begeleider vanuit de gemeente worden aangewezen die dat regelt.

Nauwelijks proactief

Jaarlijks zet 1 op de 120 Rotterdammers een initiatief op. Alles bij elkaar opgeteld worden per jaar 2.000 burgerinitiatieven opgezet, aldus de rekenkamer in zijn rapport ‘Burgers op de Bres’. De meeste initiatieven zijn afhankelijk van de hulp en ondersteuning van gemeenten. Slechts veertig procent van de initiatiefnemer is tevreden over de hulp van de gemeente bij de uitvoering ervan, die vooral reactief en nauwelijks proactief is. ‘Ze (de gemeente, red) vindt het klaarblijkelijk moeilijk innovatieve plannen die van buiten komen, volledig te omarmen’, concludeert de rekenkamer.  

Lastige voorwaarden

De onderzochte initiatieven in welzijn en zorg krijgen minder steun krijgen dan initiatiefnemers vroegen, concludeert de rekenkamer. Dit terwijl de gemeente meer op burgerinitiatieven wil leunen voor de uitvoering van welzijn. Initiatieven worden weliswaar vaak door de gemeente gesteund met subsidie, maar daarbij is vaak sprake van ‘lastige technische voorwaarden in het subsidieaanvraagproces’, aldus de rekenkamer. Als er subsidie komt, is die vaak bedoeld voor de opstartfase. Voor het voorzetten of uitbreiden van initiatieven is vaak geen of veel minder financiële ruimte.

Ambtelijke traagheid

Initiatiefnemers in het fysieke domein lopen nogal eens tegen ‘ambtelijke traagheid’ en een muur van onwil aan om beleid aan te willen passen. ‘Voor de gemeente blijkt het beleid over de gebouwde stad in de praktijk in beton gegoten. Terwijl het college ook zegt dat het flexibel met zijn regels wil omgaan om zoveel mogelijk samenwerkingen met burgers mogelijk te maken. Daar zit licht tussen’, stelt Paul Hofstra, directeur van de rekenkamer. Ook bij initiatieven in het fysieke domein is vaak sprake van alleen een opstartsubsidie. De rekenkamer adviseert om de subsidiekaders aan te passen zodat deze initiatieven langdurige ondersteuning kunnen krijgen.

Ondoorgrondelijk

De Rotterdamse ombudsman Anne Mieke Zwaneveld concludeert dat de gemeente daadwerkelijk burgerinitiatieven wil ondersteunen, maar tekent daarbij aan dat de gemeente voor veel burgers een ‘ondoorgrondelijk geheel’ is. Niet alle ambtenaren zijn gewend om met initiatiefrijke inwoners te werken. ‘Dan kan het lang duren voordat een inwoner de juiste ambtenaar te spreken krijgt. Die ambtenaar moet vaak weer uitzoeken hoe zijn organisatie de inwoner met zijn idee kan helpen. Daar gaat soms veel tijd mee heen en de uitkomst past niet altijd bij de bedoelingen van de initiatiefnemer.’

Schaarste

Het Rotterdamse college stelt in reactie op beide rapporten burgerinitiatieven van grote waarde te vinden. Ook het college ziet ruimte voor verbetering. De aanbeveling om een initiatiefnemer te koppelen aan één aanspreekpunt binnen de gemeente, zeker complexe initiatieven, wil het college meenemen in de verdere ontwikkeling van Right to Cooperate. Wel tekent het college aan dat er schaarste is aan publieke middelen en ambtelijke capaciteit. ‘Dit betekent dat er altijd een afweging gemaakt moet worden op welke wijze een burgerinitiatief een bijdrage levert aan maatschappelijke doelstellingen, het algemeen belang en in hoeverre ondersteuning door de gemeente te rechtvaardigen is. Hier heeft de gemeenteraad een duidelijke rol en dat kan soms schuren met het individueel belang.’

 

MEER GELD VOOR ‘CORONAKOSTEN’ WMO EN JEUGD

Gemeenten krijgen 170 miljoen euro voor de meerkosten die zijn gemaakt voor de Wmo en jeugdhulp. Dat is vrijdag bekend gemaakt. Er was al 144 miljoen euro als voorschot uitgekeerd. De resterende 26 miljoen volgt in de decembercirculaire. De kans is groot dat dit nog niet voldoende is.

Afwijkingen

In opdracht van het rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) heeft AEF de meerkosten en de kosten van uitgestelde zorg in kaart gebracht. Cijfers tot en met juli zijn geëxtrapoleerd tot eind 2020. Mocht deze extrapolatie niet stroken met de reële uitgaven de komende maanden, dan gaat de VNG weer met het kabinet in gesprek. AEF waarschuwt in zijn rapport dat de financiële impact nog niet nauwkeurig in beeld kon worden gebracht. Het gaat, afhankelijk van de zorgvorm, om onzekerheid van de raming van tien tot twintig procent. Ook is geen rekening gehouden met een tweede golf.   

Niet voldoende

Het in het voorjaar uitgekeerde voorschot van 98 miljoen euro aan centrumgemeenten voor beschermd wonen/maatschappelijke opvang en vrouwenopvang is niet voldoende, zo is uit het onderzoek naar voren gekomen. Voor beschermd wonen krijgen centrumgemeenten 5,6 miljoen euro extra. Daarnaast gaat 66,4 miljoen euro naar alle gemeenten voor de Wmo en jeugdhulptaken. Dat is 20,4 miljoen meer dan het in het voorjaar toegekende voorschot.

Alternatieve zorgverlening

Het gros van de jeugdhulpaanbieders heeft van maart tot en met juli meerkosten gemaakt door de coronacrisis. De aanschaf van beschermingsmiddelen was de grootste ‘meerkostenpost’. Ook de inzet van extra personeel, alternatieve zorgverlening en ict-gerelateerde kosten hebben tot extra kosten geleid. De prognose van meerkosten voor de tweede helft van 2020 ligt een stuk lager, stelt AEF in zijn onderzoek ‘Meerkosten in het sociaal domein ten gevolge van corona’. Een groot aantal aanbieders geeft al weer op het oude niveau zorg te leveren of dat snel te kunnen gaan doen.

Productieverlies

Het productieverlies voor jeugdhulpaanbieders is ‘aanzienlijk’ voor de periode van maart tot en met juli en kleiner in de resterende maanden van dit jaar, aldus AEF. Voor de periode maart tot en met juli is er sprake van een productieverlies van 3,6 procent van de omzet; 70 miljoen euro. Dit bedrag is via de met gemeenten afgesproken omzetgarantie gecompenseerd, maar AEF tekent daarbij aan dat nog niet alle aanbieders als vanouds hun werk kunnen doen. ‘Dit is zowel op grote als voor kleine aanbieders van toepassing, alhoewel de kleine aanbieders relatief gezien meestal de grootste productieverliezen kennen. Omdat de generieke oproep tot omzetgarantie niet meer geldt, lopen aanbieders een financieel risico over dit productieverlies’. De kosten van inhaalzorg van jeugdhulp zijn laag, constateert AEF verder.

Extra personeel

In de Wmo werden vooral meerkosten gemaakt vanwege de aanschaf van beschermingsmiddelen gevolgd door personele kosten. Vooral bij aanbieders van dagbesteding liepen de personeelskosten flink op. ‘Zij hebben tijdens de crisis extra personeel ingezet om hun cliënten op individueel niveau te kunnen begeleiden’, aldus AEF. Het is voor een belangrijk deel nog koffiedikkijken hoe de meerkosten zich de komende maanden gaan ontwikkelen. ‘We schatten de onzekerheid van de extrapolatie voor de ramingen Wmo op twintig procent’, aldus AEF. Vooral wat betreft begeleiding is het lastig schatten. De begeleiding heeft maanden stilgelegen en wordt sinds juli weer opgepakt. ‘Aanbieders zijn aan het uitvinden op welke manier zij hun werkzaamheden voort kunnen zetten binnen de door het RIVM gestelde richtlijnen. De meerkosten die gepaard gaan met de aanpassingen die daarvoor nodig zijn, hebben aanbieders op dit moment nog niet in beeld.’

Financiële problemen

De productieverliezen in de Wmo zijn ‘aanzienlijk’, stelt AEF. Cliënten van dagbesteding en huishoudelijke hulp durfden het vaak niet aan naar de dagbesteding te gaan of thuis een hulp over de vloer te krijgen. Voor aanbieders van dagbesteding was het een fikse puzzel om de dienstverlening voort te zetten met inachtneming van de RIVM-richtlijnen. Hoewel de productieverliezen bij bijvoorbeeld huishoudelijke hulp in de loop van dit jaar zullen afnamen van 2,6 naar 0,8 procent zullen sommige aanbieders nog ‘flinke productieverliezen’ voor hun kiezen krijgen. Mogelijk komen zij in financiële problemen als gemeenten geen vorm van omzetgarantie bieden, waarschuwt AEF. Van inhaalzorg is bij de Wmo geen sprake.

Compensatie

Tussen regio’s zijn geen verschillen in meerkosten dan wel productieverlies. Wel tussen de omvang van aanbieders. Kleinere aanbieders hebben vaker hogere meerkosten dan grote. ‘Dit wordt met name verklaard doordat grote aanbieders de mogelijkheid hebben om personeel op een andere manier in te zetten, waar voor kleine aanbieders die mogelijkheden vaak beperkter zijn’, aldus AEF. Maar groot en klein kan niet allemaal op een hoop worden gegooid, vindt het bureau. ‘De manier waarop zorg geleverd wordt, de doelgroep van de aanbieder, de kosten die gemaakt moeten worden om aan de RIVM-maatregelen te voldoen; het zijn allemaal factoren die meewegen in de kosten en per aanbieder verschillen.’ AEF adviseert om daar bij het maken van afspraken over compensatie op aanbiederniveau rekening mee te houden.

 

 

Ontvang ook onze nieuwsbrief